Wat een lipidenspectrum meet

Een lipidenspectrum meet de vetten in je bloed: totaal cholesterol, LDL-cholesterol, HDL-cholesterol en triglyceriden. Vetten lossen niet op in bloed. Daarom reizen ze in kleine bolletjes van vet en eiwit, de lipoproteïnen, waarvan LDL en HDL de bekendste zijn. LDL heet het ‘slechte’ cholesterol, omdat veel ervan je kans op hart- en vaatziekten vergroot; HDL voert vet juist af en heet daarom het ‘goede’.

Veel Nederlandse uitslagen voegen er een non-HDL-cholesterol of een cholesterol/HDL-ratio aan toe. Dat zijn berekeningen uit hetzelfde buisje, geen extra tests. Ook het LDL is vaak berekend en niet gemeten: veel laboratoria gebruiken de formule van Friedewald (totaal cholesterol min HDL min een deel van de triglyceriden), en doen dat alleen als de triglyceriden niet te hoog zijn.

Vier of vijf regels dus, en ze worden niet allemaal op dezelfde manier gelezen. Triglyceriden en HDL gedragen zich als gewone laboratoriumwaarden. Het LDL meestal niet: dat wordt vergeleken met een streefwaarde die van jou afhangt, niet van het laboratorium.

De regel die een streefwaarde is, geen grens

Totaal cholesterol, HDL en triglyceriden staan naast een referentiewaarde. Het LDL-cholesterol staat naast een streefwaarde, en die hangt af van je risico op hart- en vaatziekten. Volgens Thuisarts, de site van de huisartsen, is voor gezonde mensen zonder medicijnen een LDL onder de 3 mmol/l meestal goed, onder de 2,6 bij een groot risico en onder de 1,8 bij een heel groot risico.

De Nederlandse richtlijn cardiovasculair risicomanagement zegt hetzelfde voor wie cholesterolverlagers gebruikt en 70 jaar of jonger is: streef naar een LDL onder 1,8 mmol/l na een doorgemaakte hart- of vaatziekte, en onder 2,6 mmol/l bij een ander verhoogd risico. Je huisarts schat dat risico in met je leeftijd, geslacht, bloeddruk, roken, diabetes, nierfunctie en je cholesterol.

Daarom kunnen twee mensen hetzelfde LDL hebben, de een met een markering en de ander zonder, en kloppen beide uitslagen. Iemand die een hartinfarct heeft gehad en iemand zonder enige risicofactor worden langs een andere lat gelegd, en die lat legt een arts, geen meetapparaat. Drukt je uitslag een grens af bij het LDL, lees die dan als de standaard van het laboratorium, niet als jouw streefwaarde.

Moet je nuchter zijn voor een lipidenspectrum?

Meestal niet. Sinds 2016 adviseren de Europese Atherosclerose Vereniging en de Europese federatie van klinisch chemici een niet-nuchtere afname als standaard, en de Nederlandse richtlijn cardiovasculair risicomanagement zegt het rechtstreeks: bepaal totaal cholesterol, triglyceriden, HDL en LDL niet nuchter. Het laboratorium van het Deventer Ziekenhuis schafte de eis om nuchter te prikken op 15 maart 2017 af.

De reden is hoe klein het verschil is. Na een gewone maaltijd liggen de triglyceriden gemiddeld ongeveer 0,3 mmol/l hoger, het totaal cholesterol en het LDL ongeveer 0,2 mmol/l lager, en het HDL verandert niet. Nuchtere en niet-nuchtere waarden voorspellen hart- en vaatziekten even goed. En omdat je het grootste deel van de dag na een maaltijd doorbrengt, laat een niet-nuchter buisje je gewone leven minstens zo goed zien.

In één situatie wordt nuchter prikken wel opnieuw overwogen: als de niet-nuchtere triglyceriden boven 5 mmol/l uitkomen. Sommige praktijken vragen je ook nog steeds om van tevoren niet te eten, bijvoorbeeld omdat er een nuchtere glucose op hetzelfde formulier staat. Hun instructie geldt voor jouw buisje.

Hoe de regels samenhangen

Triglyceriden zijn de regel die het meest reageert op wat je gisteren deed: een maaltijd verhoogt ze, en alcohol de avond ervoor ook. Eén verhoogde triglyceride op een niet-nuchter buisje is zelden de bevinding die het lijkt.

HDL beweegt langzaam en trekt zich niets aan van een maaltijd. Het is wel een regel waarop roken zichtbaar wordt: in een onderzoek waarin mensen werden ingedeeld naar hoeveel ze rookten, hadden rokers een hoger totaal cholesterol, hogere triglyceriden en een hoger LDL, met een lager HDL, en zware rokers het duidelijkste patroon.

Het non-HDL-cholesterol vat al het cholesterol samen dat meereist met de deeltjes die zich in de vaatwand kunnen ophopen. De Hartstichting noemt een non-HDL boven 3,8 mmol/l te hoog.

Waarom de markeringen per uitslag verschillen

De markering naast een cholesterolregel hangt af van de grens die het laboratorium kiest, niet van één universeel ‘normaal’. De Nederlandse richtlijn noemt bij een niet-nuchtere afname als afwijkend: totaal cholesterol boven 5 mmol/l, triglyceriden boven 2, HDL onder 1,0 en LDL boven 3. Andere laboratoria drukken andere getallen af, dus dezelfde uitslag kan op de ene labuitslag een markering krijgen en op de andere niet.

Die grenzen beschrijven een wenselijk niveau voor een bevolking, geen diagnose. De Hartstichting deelt het totaal cholesterol in: tussen 5 en 6,5 mmol/l licht verhoogd, tussen 6,5 en 8 verhoogd, en 8 of hoger sterk verhoogd.

RegelAfwijkend bij een niet-nuchtere afnameHoe je het leest
Totaal cholesterolBoven 5 mmol/lLicht verhoogd tot 6,5; sterk verhoogd vanaf 8
LDL-cholesterolBoven 3 mmol/lJouw streefwaarde hangt af van je risico (onder 2,6 of 1,8)
HDL-cholesterolOnder 1,0 mmol/lHoger is beter; mag hoog zijn
TriglyceridenBoven 2 mmol/lBoven 5 kan een nuchtere herhaling volgen

Wanneer zijn cholesterolwaarden gevaarlijk?

Een paar getallen tellen op zichzelf, hoe de rest van je risico er ook uitziet. Dit zijn de uitslagen die een direct gesprek met je huisarts waard zijn, in plaats van te wachten tot de volgende controle.

  1. LDL boven 6 of totaal cholesterol boven 8Zeker op jonge leeftijd kan dat wijzen op erfelijk hoog cholesterol (familiaire hypercholesterolemie), waarbij soms gele bobbeltjes rond de oogleden of verdikte pezen ontstaan.
  2. Totaal cholesterol 8 of hogerSterk verhoogd volgens de Hartstichting, ook als je verder geen risicofactoren hebt.
  3. Triglyceriden boven 5 mmol/lReden om nuchter opnieuw te prikken; vanaf ongeveer 10 mmol/l wordt het risico op een alvleesklierontsteking de zorg, en is snelle verwijzing nodig.
  4. Lp(a) van 50 mg/dl of meerStaat niet op een gewoon lipidenspectrum, maar telt als extra risicofactor als het wel is gemeten, en verandert niet door een maaltijd.

Wat een lipidenspectrum niet vertelt

Het meet niet de toestand van je bloedvaten. Het meet stoffen die daar over jaren aan bijdragen. Een hoog cholesterol is ook geen ziekte en geeft geen klachten, schrijft Thuisarts: het verhoogt je kans op een ziekte van hart of bloedvaten, en die kans hangt mede af van roken, bloeddruk, diabetes, nierschade, beweging en eten.

Daarom zegt een lipidenspectrum niets over de rest van je risico, en is de LDL-streefwaarde persoonlijk. Een enkel spectrum is één punt op een lijn, die pas veel vertelt als je er meerdere hebt.

Hoe vaak laat je je cholesterol meten?

De Hartstichting raadt aan om je cholesterol vanaf je 40ste te laten meten, omdat het risico op een verhoogde waarde vanaf die leeftijd stijgt, en noemt de huisarts de betrouwbaarste weg. Je arts vertelt of je nuchter moet komen, en krijgt de uitslag meestal na ongeveer drie dagen.

Word je behandeld, of heb je andere risicofactoren, dan bepaalt je huisarts een ander ritme. Blijf bij hetzelfde laboratorium als dat kan: dan is het verloop makkelijker te lezen.