Welke nierfunctie waarden staan op je uitslag?
Bij bloedonderzoek naar de nieren meet het lab kreatinine (soms geschreven als creatinine of creat) en berekent het daaruit een geschatte filtratiesnelheid, de eGFR. Vaak komen daar ureum en de zouten die de nieren regelen bij: natrium en kalium. Welke regels er precies op staan, verschilt per lab en per aanvraag, dus kijk naar je eigen labuitslag.
Die regels lees je als groep, nooit één voor één. Kreatinine en eGFR beschrijven het filteren, ureum wordt naast kreatinine gelezen, en de zouten beschrijven het evenwicht dat de nieren bewaken. De Nierstichting zegt het simpel: hoe meer kreatinine in je bloed, hoe minder goed je nieren werken. Maar dat geldt pas als je ook naar de rest kijkt.
Kreatinine meet je spieren net zo goed als je nieren
Kreatinine is een afvalstof van de spieren, die de nieren uit het bloed halen. Hoeveel er in je bloed zit, hangt dus van twee dingen af: hoe goed je nieren het afvoeren, en hoeveel spiermassa het aanmaakt. De Nierstichting geeft het voorbeeld zelf: een bodybuilder heeft meer kreatinine in het bloed dan iemand die heel slank is.
Dat tweede deel verklaart uitslagen die anders tegenstrijdig lijken. Een gespierde jonge man en een tengere oudere vrouw met precies dezelfde nierfunctie hebben niet hetzelfde kreatinine. De internationale nierrichtlijn KDIGO noemt de bekende verstoorders: heel veel of heel weinig spiermassa, krachtsport en extreme inspanning, eiwitrijke diëten en creatinesupplementen, en een vegetarisch of eiwitarm dieet. Ze verschuiven allemaal het kreatinine zonder dat er iets in de nieren verandert.
Zelfs één maaltijd telt. Eén maaltijd met gekookt vlees of vis kan het kreatinine met ongeveer 20 µmol/l (0,23 mg/dl) laten stijgen, genoeg om de eGFR met zo'n 20 punten te laten dalen. Wie in de twaalf uur voor het prikken zo'n maaltijd overslaat, ontloopt dat effect.
Het is ook de reden dat de normale waarden per geslacht verschillen. De NVKC noemt bij goed werkende nieren een kreatinine tussen 60 en 110 µmol/l bij mannen en tussen 50 en 100 µmol/l bij vrouwen. Een kreatinine aan de bovenkant bij iemand met weinig spieren verdient meer aandacht dan hetzelfde getal bij iemand met veel spieren. Een lage waarde is volgens de NVKC meestal geen reden voor ongerustheid.
De eGFR is een berekening, geen meting
De eGFR op je uitslag is niet gemeten. Het lab berekent hem uit je kreatinine, samen met je leeftijd en geslacht, met een rekenformule. De Nierstichting noemt de CKD-EPI-formule de meest gebruikte, naast de oudere MDRD-formule. De uitkomst is een schatting van hoeveel bloed je nieren per minuut filteren, in ml/min per 1,73 m², en artsen vertalen hem in de praktijk vaak naar een percentage: 'je nieren werken voor zoveel procent'.
Het praktische gevolg: de eGFR is uitstekend om een trend te volgen en slecht om één los getal te lezen. Als je spiermassa ongewoon is, kan een tweede marker, cystatine C, de schatting bevestigen. Voor een precieze meting is soms een 24-uursurine nodig.
Twee uitslagen van verschillende laboratoria, of van verschillende formules, zijn niet zomaar te vergelijken. Een sprongetje in je reeks op het moment dat je van lab wisselt, hoort bij de methode, niet bij je nieren.
Hoeveel is een goede nierfunctie voor je leeftijd?
De eGFR daalt met de jaren, ook bij mensen zonder nierziekte. De Nierstichting schrijft dat de nierfunctie rond het 40e levensjaar geleidelijk begint af te nemen, en dat 40 procent van de 70-plussers een nierfunctie lager dan 60 procent heeft. De Amerikaanse National Kidney Foundation geeft een gemiddelde van ongeveer 116 bij twintigers en ongeveer 75 vanaf 70 jaar. Een eGFR van 85 bij een zeventigjarige is dus iets anders dan dezelfde waarde op je vijfentwintigste.
Hier misleiden de grenzen het meest. Elke referentiewaarde laat ongeveer 1 op de 20 gezonde mensen erbuiten vallen, en één grens voor alle leeftijden houdt geen rekening met die langzame daling. Op de uitslag zie je de indeling die artsen gebruiken: G1 boven 90, G2 van 60 tot 89, G3a van 45 tot 59, G3b van 30 tot 44, G4 van 15 tot 29 en G5 onder 15.
Eén uitslag is nooit chronische nierschade
Een enkele verlaagde eGFR is een bevinding, geen diagnose. Chronische nierschade wordt pas vastgesteld als afwijkingen minstens drie maanden aanhouden: meestal een eGFR onder 60, of eiwit (albumine) in de urine, ook bij herhaling, tenzij al eerder bekend is dat het probleem lang bestaat.
Daarom wordt een verlaagde waarde meestal herhaald in plaats van meteen behandeld. De Nierstichting beschrijft hoe dat gaat: is je nierfunctie nog niet eerder gemeten, of wijkt de waarde sterk af van eerdere metingen, dan wordt binnen ongeveer een week opnieuw geprikt. Wijkt hij licht af, dan volgt de herhaling na drie maanden. Ook een val of spierschade kan het kreatinine tijdelijk opdrijven.
De urine is net zo belangrijk als het bloed. Thuisarts legt uit dat lichte nierschade vaak geen klachten geeft, maar al wel te zien is in het lab: eiwit in je plas of te veel afvalstoffen in je bloed. Heb je diabetes of een hoge bloeddruk, vraag dan of bij je nierfunctiecontrole ook je urine wordt onderzocht.
- Is dit de eerste lage waarde?Een waarde die je één keer ziet, wordt herhaald; dezelfde waarde op meerdere momenten, maanden uit elkaar, bepaalt pas een trend.
- Is mijn urine onderzocht?Een albumine-kreatinineratio in de urine kan nierschade laten zien terwijl de eGFR nog normaal lijkt.
Ureum, zouten en medicijnen
Ureum stijgt bij uitdroging, bij een eiwitrijk dieet en bij een bloeding in het maag-darmkanaal, niet alleen bij een minder goede nierfunctie. Het wordt naast kreatinine gelezen, en de verhouding tussen de twee zegt iets wat elk afzonderlijk niet zegt.
De zouten op dezelfde uitslag beschrijven het evenwicht dat de nieren bewaken. Ze bewegen om veel redenen, onder meer door een aantal gewone medicijnen. Thuisarts raadt mensen met nierschade af om ibuprofen, diclofenac of naproxen te gebruiken, omdat die de nierschade erger kunnen maken, en noemt paracetamol als pijnstiller.